De speciekohieren van Tietjerksteradeel

1748-1805

Historische context

De Unie van Utrecht (1579), die kan worden gezien als de geboorte van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maakte de gewesten in hoge mate soeverein met betrekking tot hun eigen bestuursinrichting, rechtspraak en belastingheffing. Tot een uniform landelijk belastingstelsel kwam het, ondanks herhaalde pogingen en toezeggingen, nooit.1 Ook niet toen in 1795 de Bataafse Republiek ontstond en evenmin in 1798, toen die werd omgevormd van een federatie tot een eenheidsstaat met een centrale regering. Pas ruim zeven jaar later was de tijd er rijp voor: met ingang van 1 januari 1806 werd het stelsel van Gogel van kracht en vervielen alle gewestelijke belastingen.
Het voorgaande houdt dan ook in dat de hierna te behandelen belasting op de vijf speciën uniek voor Friesland is, hoewel dat niet voor de afzonderlijke bestanddelen geldt. Onder Friesland moeten we in dit verband alleen het vasteland verstaan. Vlieland en Terschelling behoorden destijds tot Holland, terwijl Ameland en Schiermonnikoog vrije heerlijkheden waren waar de Staten van Friesland geen gezag konden uitoefenen.

naar boven


De vijf speciën

Onder de vijf speciën werd verstaan een conglomeraat van vijf afzonderlijke belastingen, elk met hun eigen geschiedenis, waarvan de inning om praktische redenen was gebundeld. Vanouds werden ze verpacht, wat inhield dat de inning door Gedeputeerde Staten op een veiling werd gegund aan de hoogste bieder. Bij de bevolking heerste weerzin tegen dit systeem omdat men de belastingpachters verdacht van oneerlijke praktijken (of dat terecht was moet ik in het midden laten). Toch bleef het stelsel in stand omdat de machthebbers zo de belastinggelden binnenkregen met minimale perceptiekosten. Wel zorgde de overheid voor inspectie (via een paar honderd opzichters of cherchers) en voor de sterke arm wanneer het nodig was om fraudeurs en onwilligen in het gareel te dwingen.
Maar na het ‘pachtersoproer’ van 1748 (ook wel genaamd de ‘Doelistenbeweging’), waarbij verschillende belastingpachters werden gemolesteerd, besloten de Staten noodgewongen tot afschaffing van het systeem. Alle belastingen zouden dus voortaan door daartoe aangestelde ontvangers worden ingevorderd.2 Ook in andere provincies was verpachting van belastingen eerder regel dan uitzondering en ook daar ging het roer om in 1748. De vijf speciën bestonden uit de volgende onderdelen:3

1. Het hoofdgeld, ook wel familiegeld genaamd. Het was verschuldigd door iedere ingezetene van 12 jaar of ouder, en gegoed voor ₤ 600 of meer.4 Minder gegoeden betaalden half hoofdgeld en hoefden niet te betalen voor hun kinderen, al waren ze boven de 12 jaar. Bedeelden (‘gealimenteerden’) en ‘geappointeerden’ (afgekeurde militairen aan wie een pensioen was toegekend) waren vrijgesteld. Het gezinshoofd moest ook hoofdgeld betalen voor inwonend personeel; het tarief bedroeg ₤ 3 per hoofd per jaar. Tot omstreeks 1950 was het zeer gebruikelijk dat ongehuwde meiden en knechten bij hun werkgever (‘broodheer’) inwoonden.
Het hoofdgeld werd in 1795 deels en in 1797 geheel afgeschaft. In die tijd vind je vaak op het kohier de uitdrukking ‘onder (de) exemptie’, wat inhield dat mensen die minder dan ₤ 600 bezaten geen hoofdgeld hoefden te betalen.

2. Het schoorsteengeld, ook wel haardstedengeld genoemd. Het tarief hiervoor bedroeg ₤ 3 per jaar per in gebruik zijnde schoorsteen. Bij leegstand kon een schoorsteen door dichtmetselen buiten gebruik worden gesteld. Halve schoorstenen komen ook voor; hiermee worden bedoeld schoorstenen in schuren, stallen, stookhutten en dergelijke. Schoorstenen die bedrijfsmatig werden gebruikt in bijv. drankstokerijen werden wel voor het volle tarief belast. Het schoorsteengeld was verschuldigd door de eigenaar en de gebruiker, elk voor de helft. Doorgaans schoot de huurder het voor en verrekende hij het later met de eigenaar. Gealimenteerden en corpora (kerkgenootschappen, gasthuizen e.d.) genoten vrijstelling, evenals opzichters die in een ‘provinciaal huis’ woonden.
Nieuwbouw van een huis ‘op een koud steed’ (een plaats waar nooit eerder een huis had gestaan) resulteerde in tien jaar vrijdom van schoorsteengeld. Degenen die door brand hun huis kwijt waren geraakt en dit ter plekke herbouwden genoten hetzelfde voorrecht.
Schippers die in hun schip woonden hoefden geen schoorsteengeld te betalen. We zien dit verschijnsel sterk toenemen tegen het einde van de achttiende eeuw. Het zal verband houden met de stijgende vraag vanuit Holland naar turf uit Friesland en de andere noordelijke provincies. In die tijd gingen ook steeds meer mensen in hutjes op de heide wonen (bijv. te Zwaagwest­einde, Bergumerheide en elders). In zulke gebieden had de fiscus niets te zoeken.

3. Het hoorngeld was verschuldigd door eigenaren van koeien van drie jaar en ouder. Vaarzen (Fries: rieren) deden half geld. Kalveren, ossen en stieren waren vrijgesteld. Het tarief varieerde met de vruchtbaarheid van de grond. Er werden drie kwaliteiten onderscheiden: ‘hoog quartier’, ‘laag quartier’ en ‘broek-, moer- en heydlanden’. Het hoogste tarief bedroeg één gulden per koe per half jaar. In het laag quartier was dat tien, in de broek- en heidlanden zeven stuivers per half jaar. In tijden dat de veepest rondwaarde gaven de Staten korting op het hoorngeld.

4. Het paardengeld bedroeg zeven stuivers per half jaar per paard, behalve voor zogende veulens.

5. Het middel op de bezaaide landen. De naam zegt wel genoeg. Ook hier was er differentiatie naar de kwaliteit van de grond, het maximale tarief was ₤ 0-5-6 per pondemaat.

naar boven


De speciekohieren

Van de administratie die de belastingpachters ongetwijfeld hebben gevoerd is bij mijn weten niets overgebleven. De ontvangers van 1748 en later werkten met officiële registers, die bekend staan als speciekohieren. De kohieren werden in concept opgezet door de stads- of grietenijsecretaris door overschrijven van het lopende kohier. Vervolgens werden ze midden juni in samenwerking met plaatselijke autoriteiten geactualiseerd. De gecommitteerden gingen niet bij de huizen langs, maar lieten de ingezetenen voor zich verschijnen (‘compareren’). De belastingplichtigen moesten hun aangifte onder ede bevestigen. De boetes voor valse aangiften waren niet mals: 12 gulden per verzwegen hoofd, schoorsteen, rund, paard of pondemaat bouwland. Tot 1 juli had men nog tijd om iets bij te stellen, daarna was de aangifte definitief.
In de oudste drie jaargangen, die van 1748 tot 1750, hebben de percelen nog geen nummers. Dat schept soms onzekerheid inzake de ‘identiteit’ van een perceel. Wanneer de nummers eenmaal verschijnen (1751 dus) zijn ze behoorlijk vast door de tijd en is de onzekerheid klein. Wel werd er soms een nummer, dat door afbraak vacant was geworden, toegekend aan een nieuw huis in de buurt. De nummers hebben geen verband met die in de stem-, floreen- en reëelkohieren en ook niet met de huisnummers, die in 1806 werden ingevoerd ten behoeve van het nieuwe belastingstelsel.

Een post in het speciekohier bestaat gewoonlijk uit een nummer en de naam van de hoofdbewoner, gevolgd door zeven of acht kolommen, voorzien van opschriften als S, H, HH, K, R, P, G (of BL) voor respectievelijk schoorstenen, hoofden, halve hoofden, koeien, rieren, paarden en gezaai (of bezaaide landen). Lokaal zijn er wel eens kleine verschillen in volgorde en benaming. In de laatste kolom staat doorgaans het totaalbedrag van de aanslag, die voor een beetje boer al gauw tientallen guldens bedroeg, te betalen in twee termijnen. Was er binnen een dorp meer dan één tariefgroep, dan begint in elk ‘quartier’ de nummering weer bij 1. Meestal werd alleen de hoofdbewoner vermeld, maar inwonende alleenstaanden (volwassen kinderen, knechten, meiden, kostgangers) werden ook wel op eigen naam aangeslagen, zeker als ze vee bezaten en/of bouwland gebruikten. Kostgangers e.d. worden vaak aangeduid met de term ‘vrijgezel’. Hiermee kan iedere alleenstaande worden bedoeld die geen zelfstandige huishouding voerde, dus ook een weduwe of weduwnaar.

naar boven


Informatieve waarde

De speciekohieren kunnen een aardig inzicht in het leven van onze voorouders geven. Vooral bij boeren kun je conclusies trekken over hun bedrijfsvoering en andere zaken. Zo is goed te zien dat de runderpest in de achttiende eeuw voor veel boeren funeste gevolgen had. In de speciekohieren staan veel aantekeningen die verduidelijken waarom er minder hoofden staan aangegeven dan het vorige jaar, bijvoorbeeld door overlijden, vertrek of huwelijk van gezinsleden. Voor de genealogiebeoefening is dat ook van belang, omdat het in het algemeen met de overlijdensregistratie vóór 1811 in Friesland bedroevend slecht gesteld is. Menigmaal geven de gegevens over een huwelijk uitsluitsel over de vraag of we met naamgenoten of met één en dezelfde persoon te maken hebben. Vermeerdering van het aantal hoofden werd slechts sporadisch toegelicht. Omdat de steden en grietenijen elkaar vanaf 1751 berichtten over binnenkomst en vertrek van ingezetenen zijn hun verhuizingen in principe goed te volgen. Dat geldt ook voor migratie binnen de eigen gemeente. Het onderscheid in heel en half hoofdgeld geeft een ruwe indicatie van de welstand van het gezin.

Toch is niet alles zo goed gedocumenteerd als we wel zouden willen, een vergelijking met het bevolkingsregister van een eeuw later kunnen de speciekohieren beslist niet doorstaan. Zo verschijnen inwonende vrijgezellen of pasgetrouwde stellen vaak zomaar ergens zonder dat er iets van hun herkomst wordt meegedeeld. Bekende uitdrukkingen in dit verband zijn: ‘begint’, en ‘heeft gediend’. Ook verdwijnen er vaak mensen die niemand vertellen waar ze heen gaan (‘vertrokken sonder te weten werwaarts’). Gealimenteerden, die geen belasting hoefden te betalen, woonden vaak naamloos in diaconie- of armenhuizen, zodat je hun bestaan haast nergens meer uit kunt afleiden. De afschaffing van het hoofdgeld in 1797 leidde tot een verdere verschraling van de informatie. Hoe dat ook zij, de speciekohieren vormen voor de periode 1748-1805 een rijke bron voor bijna de gehele bevolking.

Beschikbaarheid

Met de beschikbaarheid van de speciekohieren is iets merkwaardigs aan de hand: ze ontbreken ten enenmale in het archief van de Rekenkamer, de instantie die werd geacht de kohieren te controleren. Ze zijn wel bijna compleet aanwezig in het archief van haar rechtsopvolgers over de periode 1796-1805 (Tresoar, Toegang 8, inv.nrs. 1861-2263). Misschien werden de kohieren vóór 1796 in enkelvoud opgemaakt en na controle teruggegeven. Ik heb dat niet uitgezocht, maar ik acht het niet erg waarschijnlijk. De gemeenten hebben meestal goed op hun exemplaren gepast, al zijn er ook gemeenten die alles kwijt zijn. Helaas moet de Friese hoofdstad tot die categorie worden gerekend. In de studiezaal van Tresoar vindt u microfiches van alle bewaard gebleven kohieren; u kunt ze daar in zelfbediening gebruiken.

naar boven


Opzet van de database

In het kader van mijn enigszins ontspoorde zucht naar gegevens over de vroegere bevolking van Tietjerksteradeel heb ik rond 1980 de belangrijkste gegevens uit de exemplaren in het gemeentearchief te Burgum (1748-1795) en het Ryksargyf (1796-1805, nu in Tresoar, BRF, Toegang 8, inv.nrs. 2186-2195) over­genomen. De gegevens over de afzonderlijke speciën heb ik grotendeels laten liggen, anders was er geen doorkomen aan. Ik heb mij dus beperkt tot de gegevens die iets zeggen over de samenstelling van het gezin, verhuizingen en overgang naar een andere welstandsklasse. Alle kohieren van 1748-1805 zijn bewaard gebleven. Ik heb uitgerekend dat ik 1328 percelen met in totaal 83.427 posten doorgewerkt moet hebben.
Was het noteren van de gegevens al een pittig karweitje, het toegankelijk maken op persoonsnamen in mijn kaartsysteem (zie de rubriek Personen op deze website) was dat niet minder. Ik was daarmee nog lang niet klaar toen de PC binnen het bereik van particulieren kwam. Ik heb daar dankbaar gebruik van gemaakt en de gegevens ingevoerd in Reflex, een ‘plat’ maar erg prettig databaseprogramma. Dat schiep ook de mogelijkheid tot tellen en rekenen; de vruchten van die arbeid heb ik gepubliceerd.5 Uitdraaien van de gegevens per perceel en per persoon staan op de studiezaal van Tresoar (Nadere Toegang 500.1-500.3).
Bij het invoeren van de gegevens ben ik als volgt te werk gedaan: ik heb een record aangemaakt voor elke bewoner van elk perceel. Vaak veranderde er geruime tijd niets en was de toestand van jaar tot jaar hetzelfde. Incidentele inlichtingen over verandering in gegoedheid en samenstelling van de huishouding noteerde ik in een kolom ‘Opmerkingen’. Als de bewoner overleed of vertrok legde ik een nieuw record aan. De eerste bewoner, meestal dus die van 1748, kreeg het adjectief “post 1”, de volgende “post 2”, enz. Het aantal posten per perceel varieert van 1 tot 44. Zodoende zijn de oorspronkelijke 83.427 posten samengevat in 13.544 records.
Bij het invoeren van de namen heb ik de oorspronkelijke schrijfwijze meestal niet kunnen handhaven. In de eerste plaats al omdat die vaak veranderde van het ene jaar op het andere en dan kom je bij het samenvatten voor keuzes te staan. In de tweede plaats bestond er toen nog geen namenthesaurus om bij het zoeken te helpen. Ik heb dus gekozen voor varianten die ik als gangbaar en gemakkelijk te onthouden beoordeelde. Ze komen heel vaak overeen met de namen die thans als standaardnamen in de thesaurus staan.

naar boven


Uitvoer en presentatie

Naderhand heb ik de gegevens omgezet naar een Excel-bestand. Excel is uitermate geschikt om gegevens in te voeren en te bewerken, maar voor raadpleging online kan men beter bij andere programma’s te rade gaan. Het presenteren van de informatie in een prettig leesbare vorm was, gezien de diversiteit van de opgeslagen gegevens, vele malen lastiger dan bij de stemkohieren. Dat het uiteindelijk gelukt is dank ik wederom aan de heer Tjerk Tigchelaar te Veenendaal, zonder wiens krachtige en inventieve inbreng dit nooit tot stand zou zijn gekomen. Hij heeft ook gezorgd voor de thesaurusslagen, het toevoegen van standaardnamen dus. Zodoende is het nu mogelijk om de gegevens te raadplegen op twee manieren. De ene presentatie is geschikt om de bewoners per perceel in de periode 1748-1805 te bekijken, de andere om op te zoeken waar een bepaald persoon door de tijd verbleef.

Overzicht per dorp

Tietjerksteradeel bestond destijds uit veertien dorpen, Molenend en Noordbergum (lange tijd Bergumerheide genoemd) werden toen nog gerekend onder Oenkerk resp. Bergum. In alle kohieren komen de dorpen voor in een vaste volgorde, die identiek is met de rangorde waarin werd gestemd over grietenijzaken. De meeste dorpen lagen volledig in de tariefzone “broek-, moer en heydlanden” (hierna en in de database aangeduid met ‘br’. De uitzonderingen zijn Wijns (geheel “hoog quartier”, hq), Oudkerk (hq en “laag quartier”, lq) en Oenkerk (lq en br).

  Aantal percelen  Vervallen Netto
  1748 1805 tot 1805 groei
Wijns 22 26 3 1
Oudkerk 86 93 6 1
Oenkerk 85 102 9 8
Giekerk 39 44 1 4
Rijperkerk 47 61 4 10
Tietjerk 45 66 2 19
Suawoude 30 37 2 5
Hardegarijp 75 94 10 9
Bergum 255 291 27 9
Eestrum 44 56 6 6
Oostermeer 178 195 24 -7
Suameer 77 87 9 1
Garijp 104 118 24 -10
Eernewoude 47 58 11 0
 
Tietjerksteradeel 1134 1328 138 56

In 1805 telde Tietjerksteradeel dus netto slechts 56 (4,9 %) meer huizen dan in 1748. Dit beeld van stagnatie wordt bevestigd door andere cijfers uit die tijd: de bevolking groeide tussen 1744 en 1796 met slechts 4,7 %. Het is hier niet de plaats om te speculeren over de oorzaken of vergelijkingen te maken met andere streken die het wat dit betreft beter deden.

naar boven


Begrippenlijst
N.B. De meeste termen worden in voorgaande tekst uitvoeriger toegelicht

armenhuis   of armenkamer; eigendom van de kerkvoogdij of armvoogdij; veelal aangewend om gealimenteerden te huisvesten
bezit geen £ 600   voluit: verklaart (onder ede) geen £ 600 te bezitten; wenst voor half hoofdgeld te worden aangeslagen
br   in deze database gebruikte afkorting voor ‘broek-, moer- en heidlanden’; de laagste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai
diaconiehuis   of diaconiekamer; eigendom van de diaconie; zie ook armenhuis
eigenaar   de eigenaar was de helft van het schoorsteengeld verschuldigd; hij komt eigenlijk alleen in beeld wanneer de huurder gealimenteerd wordt of wanneer het pand leeg staat zonder dat de schoorsteen buiten gebruik gesteld is
exemptie, onder --   vrijgesteld van half hoofdgeld (1795-1797)
gealimenteerden   bedeelden; ‘genieten’ onderhoud, zijn vrijgesteld van belastingen
gezaai   akkerbouwland, gemeten in pondematen (elders ook wel in lopenstal)
hoofden   personen die (heel of half) hoofdgeld verschuldigd zijn
hoofdgeld   belasting van £ 3 per persoon per jaar, zie toelichting in de tekst
hoorngeld   belasting op koeien van drie jaar en ouder
hq   in deze database gebruikte afkorting voor ‘hoog quartier’, de hoogste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai
impositiën   of imposten; synoniem voor belastingen; vgl. middelen
inwonend   iemand zonder eigen huishouding, betaalt alleen hoofdgeld
kamer   gedeelte van een huis, kan uit meer dan één vertrek bestaan
koud steed   plaats waar niet eerder een huis stond
£ (libra, pond)    symbool voor de caroligulden van 20 stuivers
lq   in deze database gebruikte afkorting voor ‘laag quartier’; de middelste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai
middelen   synoniem voor belastingen; vgl. impositiën
nevenbewoner   iemand in hetzelfde huis als de hoofdbewoner, heeft een eigen huishouding, betaalt hoofd- en schoorsteengeld
opzichter   of chercher; inspecteur voor allerlei belastingen en accijnzen, laag in de hiërarchie; woonde meest in een ‘ambtswoning’
pondemaat   oppervlakte van 240 vierkante roeden, is 0,3674 ha
rier   vaars, jonge koe (nog geen drie jaar oud)
schip, woont in het   ook wel: ‘vaart in de schuite’, is vrijgesteld van schoorsteengeld
vrijgezel   iemand zonder eigen huishouding; kan eerder gehuwd zijn geweest
vrijgezellen   als werkwoord: bij iemand in de kost gaan (of zijn)

   

Hurdegaryp, augustus 2009
Pieter Nieuwland

naar boven


 

1 Met uitzondering van de zgn. konvooien en licenten, die werden geheven ten behoeve van de Admiraliteit.

2 Verzameling van placaaten, reglementen en andere stukken ... deel 1, (Leeuwarden, 1796) 145.

3 Een eigentijdse beschrijving (vermoedelijk van de hand van Simon Stijl) kunt u vinden in: Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van Friesland IV(Amsterdam / Leiden / Dordrecht / Harlingen, 1784) 389-400.

4 De waarde van de caroligulden (£) van toen kan men ruwweg (lonen en prijzen hebben heel verschillende ontwikkelingen doorgemaakt) stellen op € 100 van nu.

5 Pieter Nieuwland, ‘Migraasje yn Tysjerksteradiel 1748-1805’, in: Bydragen te Pleatslike Skiednis III (Leeuwarden, 1990) 103-116.